Nobelprijs-winnares Szymborska heeft enige malen mooie woorden aan de ziel gewijd. Hier twee gedichten van haar.
Enige woorden over de ziel
Een ziel heb je nu en dan.
Niemand heeft haar ononderbroken
en voor altijd.
Dagen en dagen,
jaren en jaren
kunnen zonder haar voorbijgaan.
Soms verwijlt ze alleen in het vuur
en de vrees van de kinderjaren
wat langer bij ons.
Soms alleen in de verbazing
dat we oud zijn.
Zelden staat ze ons bij
tijdens slopende bezigheden
als meubels verplaatsen
en koffers tillen
of een weg afleggen op knellende schoenen.
Bij het invullen van formulieren
en het hakken van vlees
heeft ze doorgaans vrij.
Aan een op de duizend gesprekken
neemt ze deel,
maar zelfs dat is niet zeker,
want ze zwijgt liever.
Wanneer ons lichaam begint te lijden en lijden,
verlaat ze stilletjes haar post.
Ze is kieskeurig:
ziet ons liever niet in de massa,
walgt van onze strijd om maar te winnen
en van ons wapengekletter.
Vreugde en verdriet
zijn voor haar geen verschillende gevoelens.
Alleen als die twee zijn verbonden,
Is ze bij ons.
We kunnen op haar rekenen
wanneer we nergens zeker van zijn,
maar alles willen weten.
Wat materiële zaken betreft
houdt ze van de klokken met een slinger
en van spiegels, die vlijtig hun werk doen,
ook wanneer niemand kijkt.
Ze vertelt niet waar ze vandaan komt
en wanneer ze van ons verdwijnt,
maar lijkt zulke vragen beslist te verwachten.
Het ziet ernaar uit
dat net als wij haar
zij ons ook
ergens voor nodig heeft.
Bovenstaande gedicht werd geschreven in de tijd dat Szymborska de Nobelprijs voor de literatuur ontving, oktober 1996. Het verscheen in de bundel Het moment (Ned. Vertaling 2003, oorspr. 2002). Ouder is het volgende gedicht uit de bundel Einde en begin uit 1993.
Niets cadeau
Niets cadeau gekregen, alles te leen.
Tot over mijn oren in de schulden
zal ik met mezelf
voor mezelf moeten betalen,
mijn leven voor mijn leven geven.
Het is nu eenmaal zo geregeld
dat het hart terug moet
en de lever terug moet
en elke vinger afzonderlijk.
Te laat om het contract te verbreken.
De schulden moeten worden geïnd,
het vel over de oren gehaald.
Op de wereld loop ik rond
in de menigte van andere schuldenaren.
Sommigen zijn verplicht
hun vleugels af te betalen.
Anderen moeten of ze willen of niet
hun blaadjes afrekenen.
Aan de debetzijde
staat elk weefsel in ons.
Geen wimpertje, geen steeltje
mogen we voorgoed behouden.
De lijst is uitputtend
en het ziet ernaar uit
dat we niets zullen overhouden.
Ik kan me niet herinneren
waar, wanneer en waarom
ik zo’n rekening heb laten openen.
Het protest daartegen
noemen we de ziel.
En dat is het enige
wat niet op de lijst staat.
Op internet trof ik de volgende interpretatie van dit gedicht aan van de hand van Paul Vanderghote (www.kerknet.be):
Een cadeau is iets dat uit genegenheid of om welke reden ook, aan iemand geschonken wordt. Voortaan mag de begunstigde het als zijn eigendom beschouwen en er derhalve eigenmachtig over beschikken. Als echter iemand mij iets te leen geeft is dat alleen voor tijdelijk gebruik en moet ik het volgens afspraak netjes terugbezorgen. Zolang sta ik bij de uitlener in het krijt, ben ik zijn schuldenaar.
Nu poneert de dichteres dat ik niets cadeau gekregen heb, alles te leen. Natuurlijk heeft zij het niet over gewone, dagelijkse uitwisselingen onder mensen, wél over het essentiële, mijn wezen, wie en wat ik bén. Merkwaardig genoeg vermeldt zij er niet bij, wie in dezen mijn uitlener-schuldeiser is, evenmin zijn motieven of bedoeling. Zij beklemtoont daarentegen mijn onherroepelijke schuld en mijn verplichting al het ontleende vroeg of laat tot de laatste centiem terug te ‘betalen’.
Om te beginnen mezelf, mijn leven. Daarmee is het voornaamste gezegd. Ter verduidelijking : daarin zijn mijn levensorganen, hart, lever, handen, begrepen, zeg maar : mijn hele aardse bestaan. Wat het ook mag kosten : het vel over de oren gehaald, een echo op tot over mijn oren in de schulden. En welteverstaan heb ik geen verhaal : te laat om het contract te verbreken. Wij vragen ons af : contract met wie ?
Alle schepselen verkeren in dezelfde toestand als ik, de fauna (de vogels) en de flora (de blaadjes). Niets, geen wimpertje, geen steeltje, wordt overgeslagen, de lijst is uitputtend. Onze vragen (zie boven) zijn ook die van Szymborska : ik kan me niet herinneren…
De laatste strofe, in het zicht van de eindstreep, betekent een onverwachte knik in het lopende proces van krijgen en terugbezorgen, van schuld en vereffening. Iets in mij protesteert : « Ik heb er niet om gevraagd, de Onbekende heeft mij het contract opgedrongen ». Misschien ga ik nog een stap verder : « en dus vertik ik het, ook maar iets te vergoeden, mij van mijn zogenaamde schuld te kwijten ». Dat ‘iets in mij’ is klaarblijkelijk iets of iemand anders dan de ik en mezelf uit de eerste strofe. We noemen het de ziel, het enige wat niet op de lijst staat. Ik mag mijn ziel dus behouden, die is me helemaal, voorgoed en definitief geschonken. Toch cadeau ? Wat echter niet wegneemt dat ik op een zekere vervaldag al de rest goedschiks kwaadschiks moet afstaan. Trouwens, neem ik dat niet reeds alle dagen waar om me heen, ervaar ik het niet in mezelf ?
Dé vraag : ‘wie is mijn geheimzinnige uitlener, en waarom deed hij dat ?’ (nu komt daar nog bij ‘waarom spaart hij mijn ziel ?’ ) blijft onbeantwoord. Alleen mijn geloof verschaft mij een afdoend antwoord.
Intrigerende poëzie, die tot de kern doorstoot.
‘Niets cadeau’, de titel van dit gedicht. Gerard Visser gebruikte deze titel ook voor zijn ‘filosofisch essay over de ziel’ uit 2009, uitgegeven in de serie Annalen van het Thijmgenootschap. Een voortreffelijke, leerzame en diepgravende beschouwing over de ziel.






